Tags

,

Ik kreeg van iemand de vraag of ik eens iets kon schrijven over mijn studiemanieren en -gewoontes. Op de fluit welteverstaan. Hoe vaak studeer ik, welke oefeningen doe ik en welke juist niet, heb ik altijd zin om te studeren etc. In deze blog ga ik in op mijn inspeeloefeningen.

Ik heb het geluk (of juist de pech) dat ik erg gedisciplineerd ben en ik geloof dat ik ook nog eens vrij efficiënt studeer. Gezien de tijd die ik erin steek, moet het wel, want meer dan gemiddeld 6 uren studie per week kom ik niet en ik heb wel aardig wat concerten. En ik ben op dit moment niet ontevreden over mijn niveau.

Ik begin bijna altijd met zo’n 25 minuten inspelen. Eerst even wat noten blazen en kijken hoe mijn embouchure er die dag voor staat. De ene dag is het vanaf noot 1 bagger en de andere dag vanaf noot 1 fantastisch. Hoe het ook klinkt, ik vervolg mijn inspeeloefeningen en ik werk die meestal in dezelfde volgorde af, met alle aandacht die ik eraan kan geven. Ik zie het dus niet alleen als een warming-up, maar ook meteen als studiemateriaal.
Vaak heb ik nog een aandachtvragend kind rondlopen, maar hij leert steeds beter om zelf te spelen – en voornamelijk zijn mond te houden – als ik fluit speel.

Ik doe de volgende oefeningen, gehaald uit verschillende methodes/boeken (Trevor Wye, Paul Edmund-Davies, Peter-Lukas Graf), en heb er wellicht in de loop van de tijd een eigen draai eraan gegeven:

– Ademhaling: beginnend op de b2: 3 keer een korte noot en 1 lange, zonder tongaanzet, maar wel met goede middenrifaanzet. Dat nog een keer op dezelfde noot en dan chromatisch naar beneden tot de d2. Vervolgens de b2 weer en chromatisch omhoog tot de b3.
– Embouchure/lippen: starten op de b (klein octaaf, dus de b onder de c1), zonder tongaanzet, maar met gecontroleerde ademhaling, alle boventonen van die noot. Helemaal naar boven en weer naar beneden. Vervolgens alle boventonen op de c1 etc. Chromatisch omhoog, tot de c2.
– Enkel staccato: starten op de d1, in die toonladder (D) omhoog en elke noot 4 keer aanzetten met enkel staccato. Omhoog tot de d2, dan weer naar beneden. Vervolgens de toonladder van Es op dezelfde manier. Chromatisch omhoog tot ik weer bij de d (in dit geval d2 ben). Onderweg worden het aantal tonen wel steeds minder. Bij de toonladder van D start ik dus met elke noot 4 keer herhalen. Rond de toonladder van F herhaal ik elke noot 3 keer, bij A elke noot 2 keer en C elke noot 1 keer. Dit kan ook in omgekeerde volgorde, dus beginnen op de d3 en alle toonladders naar ‘beneden’ werken. Het gaat te ver om deze oefening tot in detail te bespreken, maar het gaat er mij dus om dat ik mijn enkel staccato ‘warm’ maak en de spieren in mijn tong train. (Vrij naar ‘The 28 Day Warm Up Book for all flautists… eventually!’ van Paul Edmund Davies.)
– Vingertechniek: hier varieer ik nog wel eens in. Wat ik een erg nuttige oefening vind is de volgende: alle toonladders langs in de kwintencirkel (C, a (harmonisch!), F, d, Bes, g, etc, tot je weer bij de C bent), maar niet beginnen op de betreffende grondtoon, maar op de c1 of cis (of des)1! En dan door tot bovenin, dus b3 of bes3. Vergt even wat denkwerk, maar is zo nuttig, voor alle techniek die je in muziek tegenkomt.
– Dubbel staccato: ook hier varieer ik, maar met deze oefening maak ik mijn dubbel staccato dus ‘warm’. Vaak neem ik weer alle toonladders, in de volgorde van de kwintencirkel, maar start gewoon op de grondtoon. Elke noot speel ik 2 keer (met dubbel staccato dus) en ik houd het dan bij de majeurladders.
– Octaafoefening: dan doe ik nog de volgende oefening (te lastig om te omschrijven en van deze weet ik in elk geval nog uit welk boek hij komt :): Peter-Lukas Graf):

inspeeloefening

En dan elke week (of 2 weken, of 3 weken; ik ben nu wat minder strikt dan toen ik nog op het conservatorium zat) een andere toonsoort.

– Nog meer embouchure/controle ademhaling: een lange f1 spelen. Forte starten, decrescendo naar helemaal geen toon meer en dan weer crescendo naar forte. En waar het mij dan met name om gaat is een zeer soepele overgang tussen pianissimo en niets meer (maar wel door blijven blazen!) en van niets meer naar pianissimo. Zodat je je afvraagt wanneer er eigenlijk geen toon meer is en wanneer wel weer. En dan ook nog ‘op toon’ blijven, dus niet lager worden als je zachter gaat spelen. Dat een paar keer, dan nog vanuit niets naar forte. En hetzelfde op een f2 en een f3. Of alles op een fis, ook heel nuttig.

Soms doe ik nog wat anders daarna, maar meestal laat ik het hierbij.
Tegen de tijd dat ik bovenstaande oefeningen heb gedaan, ben ik zo’n 25 minuten verder. Ik studeer lang niet altijd op mijn concertstukken, maar mijn inspeeloefeningen probeer ik wel altijd te doen. Als ik ze niet doe, heb ik het gevoel niet warm genoeg te zijn voor een concert of voor meer half-uurtjes studeren op een dag. Het komt regelmatig voor dat ik alleen een half uur deze oefeningen doe op een dag en verder niets. Als mijn zoontje ook in de kamer aan het spelen is, kan ik niet tot in den treuren loopjes gaan studeren met de metronoom ernaast; dat vindt hij namelijk niet echt leuk (terecht?). Dat bewaar ik voor de momenten waarop hij slaapt. ’s Avonds dus, maar dan heb ik ook niet altijd zin om nog mijn fluit te pakken, of ik ben weg. Nog een jaar wachten en dan gaat hij naar school en heb ik weer veel meer tijd voor dit soort studeren! Tegen de tijd dat kind nr 2 zo oud is dat hij/zij overdag niet meer slaapt, heb ik wel weer genoeg ‘tot in den treuren’ muziek kunnen studeren om er weer even tegenaan te kunnen 🙂

De oefeningen uit Peter-Lukas Graf’s ‘Check-up’ vind ik een van de meest nuttige, mocht je iets willen aanschaffen. Maar ook alle oefenboeken van Trevor Wye zijn goed. Zelf richt ik me dan op iets specifieks, iets wat ik op dat moment wil ontwikkelen en houd me met die oefening(en) een paar weken bezig.

Advertenties